
WIA Opvang Polis
verzeker uw werknemers tegen de financiele gevolgen van arbeidsongeschiktheid.
Hoe wordt de hoogte van de WIA-uitkering berekend? Zie ook WIA-Schema
De hoogte van de WIA-uitkering hangt niet alleen af van de mate van arbeids(on)geschiktheid, maar ook van hoeveel een werknemer zelf nog kan verdienen. Er zijn drie mogelijkheden:
1. Geen uitkering
2. Een WGA-uitkering
3. Een IVA-uitkering
1. Geen uitkering
Wie minder dan 35% arbeidsongeschikt is, ontvangt geen uitkering. De werknemer kan in dit geval nog 65% of meer van z'n oude salaris verdienen. Samen met zijn werkgever moet de werknemer bezien hoe hij zijn resterende verdiencapaciteit het beste kan benutten. Dit kan zijn binnen het bedrijf of bijvoorbeeld bij een andere werkgever. Zowel de werknemer als de werkgever zijn hier verantwoordelijk voor.
2. Een WGA-uitkering
(Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten)
Bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% tot 80% volgt een WGA-uitkeringOok als een werknemer meer dan 80% arbeidsongeschikt is en het is duidelijk dat dit niet duurzaam zal zijn, volgt een WGA-uitkering. Een werknemer die recht heeft op een WGAuitkering kan dus zelf nog tussen de 20% en 65% van zijn oude salaris verdienen, of tijdelijk
minder dan 20%. De WGA-uitkering wordt verstrekt voor een onbepaalde periode. Met enige regelmaat volgen herkeuringen door een UWV-arts. Afhankelijk van de bevindingen wordt gekeken welk recht de werknemer heeft. In theorie is het mogelijk dat de gezondheid zo achteruit is gegaan, dat men recht heeft op een IVA-uitkering (zie hierna). Een andere uitkomst is dat het bedrag dat volgens UWV zelf verdiend kan worden omhoog of omlaag gaat. Tot slot is het ook mogelijk dat de arts vaststelt dat de werknemer voldoende is hersteld en daardoor weer 65% of meer van zijn oude loon kan verdienen, waardoor hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In dat geval wordt de WGA-uitkering stopgezet.
De WGA-uitkering kent drie varianten: de loongerelateerde uitkering, de loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering.
Loongerelateerde uitkering
Heeft men in de periode van 36 weken voor uw eerste ziektedag minstens 26 weken gewerkt? Dan heeft men recht op een loongerelateerde uitkering. Dit heet de wekeneis.
Alle weken waarin minimaal één uur is gewerkt, tellen mee. Dat geldt ook voor betaalde vakanties en bijzonder verlof. Heeft men in die 36 weken een aantal weken niet gewerkt door ziekte of vanwege onbetaald verlof? Dan kan de periode van 36 weken worden verlengd.
Als men voor de eerste ziektedag al recht had op WW, heeft men altijd recht op een loongerelateerde
uitkering. Men heeft dan immers al voor de WW-uitkering aan de wekeneis moeten voldoen.
Heeft men minder dan 26 weken gewerkt? Dan krijgt men geen loongerelateerde uitkering, maar een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
Hoe hoog is de loongerelateerde uitkering?
Hoeveel uitkering men krijgt, hangt af van het loon dat maandelijks gemiddeld werd verdiend in het jaar voordat men ziek werd. Dat is het WIA-maandloon.
Werkt men niet? Dan is de uitkering 70% van het WIA-maandloon.
Werkt men wel? Dan krijgt men een uitkering van 70% van het maandloon. Van dat bedrag wordt 70% van de inkomsten uit arbeid afgetrokken. Vanaf 1 januari 2008 is de uitkering de eerste twee maanden 75% van het maandloon. In deze 2 maanden wordt daar 75% van eventuele inkomsten uit arbeid van afgetrokken.
Hoe lang de loongerelateerde uitkering duurt, hangt af van het arbeidsverleden (tot 1 januari 2008 was de duur gebaseerd op de leeftijd).
Het arbeidsverleden bestaat uit twee periodes, namelijk het fictieve en het feitelijke arbeidsverleden: Het fictieve arbeidsverleden zijn de jaren vanaf het jaar waarin men 18 werd tot en met 1997.
Het feitelijke arbeidsverleden zijn de jaren vanaf 1998 tot het jaar waarin de WGA uitkering ingaat. Alleen de jaren waarin men minstens 52 dagen loon kreeg, tellen mee. Jaren waarin men voor een kind zorgde, mantelzorg verleende of onbetaald verlof opnam, kunnen ook meetellen bij het feitelijke arbeidsverleden.
Voor ieder volledig jaar arbeidsverleden, ontvangt men één maand loongerelateerde uitkering. Heeft men dus een arbeidsverleden van 8 jaar, dan krijgt men de uitkering gedurende 8 maanden. De loongerelateerde uitkering duurt minimaal 3 maanden en maximaal 38 maanden.
Voorbeeld 1
Het oude loon is EUR 80.000, maar dat wordt gemaximeerd op EUR 46.205 (2008).
Het nieuwe loon is EUR 20.000.
De loongerelateerde uitkering is 70% van {EUR 46.205 – EUR 20.000} = EUR 18.343,50.
Het totale inkomen is dan EUR 38.343,50 (ofwel 48% van het oude loon).
Voorbeeld 2
Het oude loon is EUR 40.000. Het nieuwe loon is EUR 12.800.
De uitkering is 70% van {EUR 40.000 – EUR 12.800} = EUR 19.040.
Het totale inkomen is dan EUR 31.840.
NB. Beide voorbeelden kennen tijdens de eerste 2 maanden een iets hogere uitkering.
Loonaanvullings- of vervolguitkering
Na afloop van de loongerelateerde uitkering ontvangt men een loonaanvullings- of een vervolguitkering.
Welke van de twee is afhankelijk van hoeveel de werknemer volgens het UWV nog kan verdienen en hoeveel hij daarvan ook daadwerkelijk zelf verdient. Het credo is: hoe meer je zelf verdient, hoe meer je daarvan overhoudt.
In de praktijk blijkt dit ook zeer zeker het geval, want het verschil tussen een loonaanvullingsuitkering (op basis van het oude loon) en een vervolguitkering (op basis van het minimumloon) is echt aanzienlijk. Het is mogelijk dat een werknemer regelmatig wisselt tussen beide uitkeringen, want UWV zal maandelijks bekijken hoeveel de werknemer zelf heeft verdiend en hoe dat zich verhoudt tot het bedrag dat hij volgens UWV nog kan verdienen.
Is de verhouding 50% of meer, dan heeft de werknemer recht op een loonaanvullingsuitkering.
Is de verhouding minder dan 50%, dan wordt de veel lagere vervolguitkering betaald.
Voorbeelden loonaanvullingsuitkering
De loonaanvullingsuitkering bedraagt 70% van het verschil tussen het oude loon (gemaximeerd) van de werknemer en het salaris dat hij volgens UWV nog kan verdienen.
De eigen verdiensten worden daarbij opgeteld.
Voorbeeld 1
Het oude loon was EUR 80.000.
Volgens UWV kan deze werknemer nog 30% daarvan zelf verdienen (is EUR 24.000).
De loonaanvullingsuitkering is 70% van het verschil tussen het oude loon, met een maximum van EUR 46.205 (2008) en het bedrag dat de werknemer nog kan verdienen volgens het UWV (de verdiencapaciteit).
De berekening is dan 70% van {EUR 46.205 – EUR 24.000} = EUR 15.543,50.
Verdient deze werknemer zelf nog EUR 13.000 (dus meer dan 50% van de verdiencapaciteit), dan is het totale inkomen EUR 28.543,50.
Voorbeeld 2
Het oude loon was EUR 40.000. Volgens UWV kan deze persoon nog 40% (is EUR 16.000) zelf verdienen.
De uitkering is 70% van {EUR 40.000 – EUR 16.000} = EUR 16.800. Als het nieuwe loon EUR 9.000 is (dus meer dan 50% van de verdiencapaciteit), dan komt het totale inkomen op EUR 25.800.
Voorbeelden vervolguitkering
De vervolguitkering bedraagt een percentage van het minimumloon en wordt dus niet gebaseerd op het oude loon van de werknemer. Het percentage is daarbij ook nog afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hierdoor ontstaan grote verschillen ten opzichte van de loonaanvullingsuitkering, zoals u kunt zien in de onderstaande voorbeelden.
Voorbeeld 1
De werknemer verdiende EUR 80.000 en is 50% arbeidsongeschikt.
Volgens het UWV kan hij daarom nog EUR 40.000 verdienen.
Als hij minder dan de helft daarvan verdient, is de vervolguitkering 35% (dit percentage hoort
bij zijn percentage arbeidsongeschiktheid) van het minimumloon van EUR 17.301 (2008) = EUR 6.055.
Voorbeeld 2
De werknemer verdiende EUR 40.000 en is 60% arbeidsongeschikt.
Hij kan volgens UWV dus nog 40% van het oude salaris verdienen (is EUR 16.000).
Hij verdient op dit moment minder dan de helft daarvan, dus minder dan EUR 8.000, waardoor
hij een vervolguitkering krijgt. Bij dit arbeidsongeschiktheidspercentage van 60% hoort een
uitkeringspercentage van 42% van het minimumloon.
De vervolguitkering bedraagt EUR 7.266 (2008).
3. Een IVA-uitkering
(Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten)
Bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer - de werknemer kan zelf minder dan 20% van het oude loon verdienen - én de medische indicatie dat de situatie duurzaam is, ontvangt de werknemer een IVA-uitkering.
Deze bedraagt 75% van het WIA-loon (gemaximeerd op EUR 46.205 in 2008) en wordt verminderd met 70% van de inkomsten uit arbeid.
Deze uitkering is dus maximaal bruto EUR 34.654 (2008) en duurt voort tot de verzekerde 65 jaar wordt. Afhankelijk van de situatie houdt het UWV tussentijdse herkeuringen.
In theorie is het mogelijk dat een IVA-uitkering wijzigt in een WGA-uitkering, bijvoorbeeld als herstel wordt geconstateerd en de situatie niet meer duurzaam is, of als door het herstel weer meer dan 20% van het oude salaris kan worden verdiend.
